Afgelopen zaterdag kookten en aten we samen bij Vluchteling Onder Dak.
Na afloop loop ik met U, één van de jongemannen die we ondersteunen, naar zijn woning. Ik had hem eerder die dag de sleutels van de kamer gegeven, maar hij had nog geen beddengoed kunnen vinden.
Zodra we bij de voordeur staan, zwaait ie al open en het vrolijke gezicht van A., zijn medebewoner heet ons welkom. Hij stelt me voor aan een vriend die vanavond op bezoek is. Ze waren vandaag op pad, maar zitten nu in de woonkamer en kijken voetbal.
“A. heeft me veel verteld over jou. En je collega’s. Dankjewel voor alles wat jullie doen.”
Samen zoeken we in de gemeenschappelijke kast naar beddengoed. Het meeste ligt er al een tijdje en kan wel een wasbeurt gebruiken. Toch trekt U. zonder morren een deken, laken en matrashoes naar boven. “Ik was het morgenochtend wel. Ik slaap tenminste niet op straat, dat is het belangrijkste.”
Dan komt A. binnen met een glas drinken en bord vol lekkers. Hij vraagt of ik nog even blijf zitten. Tot de wedstrijd afgelopen is.
Als ik vertrek, vraagt U. bezorgd of hij even mee moet fietsen. Of het wel veilig is zo in het donker over straat?
Later als ik thuis kom, scroll ik door het nieuws. Iets over ‘vrouwenmarsen’ die ‘de straat terug eisen’ uit angst tegen vluchtelingen in hun buurt. Extreem-rechtse, witte mannen die bij anti-AZC rellen roepen dat ze dit doen voor hun dochters, of om hun vrouwen te beschermen.
Ik vraag me af of zij ooit een voet in een AZC gezet hebben. Of ze ooit een vluchteling de hand geschud hebben. Of in de ogen hebben gekeken.
Of dat ze wel eens samen een voetbalwedstrijd gekeken hebben.
Ik vermoed van niet.
Bij deze de uitnodiging om langs te komen hier in Wageningen, en een dagje met mij mee te lopen. Laat je vuurwerk maar thuis. En neem je dochters mee.
Er zal een wereld voor je open gaan.







